Ga naar de methodologie

ATEX · veldmethodologie · België

ATEX-zone-indeling industrie: praktische methode

Praktische methode voor ATEX-zone-indeling in industriële installaties: emissiebronnen, ventilatie, stoflagen, zonegrenzen, materieeltoets en EVD.

Zone 0, 1 en 2 of 20, 21 en 22? Bekijk de vergelijking
Revisie
Redactie
Collectieve PreventX-redactie
Leestijd
9 minuten

Praktische samenvatting

Een verdedigbare ATEX-zone-indeling begint niet bij een kleur op de plattegrond, maar bij procesfeiten. Breng per installatie de brandbare stoffen, procescondities, mogelijke emissiebronnen, normale bedrijfsvoering, ventilatie of afzuiging en - bij stof - lagen en huishouding in kaart.

Ken daarna afzonderlijk een zoneklasse en een ruimtelijke omvang toe. De Belgische Codex gebruikt kwalitatieve zonedefinities en legt geen universele uurgrenzen of standaardstralen op. Leg daarom per bron de redenering, aannames, geldigheidsvoorwaarden en ontbrekende gegevens vast.

De output is een samenhangend pakket: bronnenregister, zonetabel, driedimensionale zonetekening, materieel- en ontstekingsbronnentoets, maatregelen, verificatie en koppeling met het explosieveiligheidsdocument.

Gebruik deze pagina als werkvolgorde en reviewkader. Een zone wordt pas vrijgegeven op basis van actuele sitegegevens en een bevoegde beoordeling.

Inhoud van deze methodologie6 onderdelen

Het dossierpad: zes beslissingen, één bewijslogica

Elke stap levert controleerbare input voor de volgende. Een onzekere aanname wordt niet verstopt in een eindklasse, maar blijft zichtbaar tot ze is geverifieerd.

  1. 01

    Input en context

    Leg stoffen, procescondities, bedrijfsmodi, locaties, activiteiten en beschikbare brongegevens vast. Onvolledige input wordt een expliciete open vraag.

    Output · Afbakening + bronnenlijst
  2. 02

    Emissiebronnen

    Loop installatie en proces na. Beschrijf waar en onder welke omstandigheden gas, damp, nevel of brandbaar stof kan vrijkomen.

    Output · Emissiebronnenregister
  3. 03

    Ventilatie en aannames

    Onderbouw luchtbeweging, beschikbaarheid, obstakels en relevante omgevingscondities. Scheid waarneming, brongegeven en aanname.

    Output · Controleerbare uitgangspunten
  4. 04

    Zoneomvang

    Motiveer type en ruimtelijke begrenzing per scenario. Maak grenzen zichtbaar op een tekening en koppel ze aan de gebruikte uitgangspunten.

    Output · Zoneplan met motivatie
  5. 05

    Materieel en maatregelen

    Toets materieel, ontstekingsbronnen en technische of organisatorische maatregelen aan de vastgelegde zone en stofeigenschappen.

    Output · Materieel- en maatregelenlijst
  6. 06

    EVD en revisie

    Bundel beslissingen, tekeningen, bronnen, verantwoordelijkheden en wijzigingstriggers in een herleidbaar explosieveiligheidsdocument.

    Output · Vrijgegeven dossier

De methodologie, volledig uitgewerkt

De methode in één zin

Een industriële ATEX-zone-indeling is een onderbouwde beslissing per emissiebron: welk explosief mengsel kan waar ontstaan, hoe past dat in het kwalitatieve aanwezigheidsprofiel van de Codex, tot waar blijft dat profiel relevant en onder welke voorwaarden blijft de conclusie geldig?

Dat is iets anders dan zones intekenen met een vaste straal rond elk vulpunt. Codex Welzijn op het Werk, Boek III, Titel 4 deelt gevaarlijke ruimten in op basis van frequentie en duur. De tekst bevat geen universele jaarlijkse urengrenzen en geen standaardafstanden. De ruimtelijke omvang moet uit de installatie, stoffen, procescondities, verspreiding en effectieve beheersing volgen.

Voor het brede juridische kader, de materieelcategorieën en de inhoud van het EVD lees je de ATEX-kennisbank voor Belgische werkgevers. Dit artikel doet één ding: de praktische methodologie voor industriële zone-indeling uitwerken.

Wat moet de zone-indeling beslissen?

Een bruikbaar zoneringsdossier beantwoordt per procesdeel vijf vragen:

  1. Welk brandbaar medium is relevant? Gas, damp, nevel, stofwolk, stoflaag of een hybride situatie.
  2. Waar kan het vrijkomen? De concrete emissiebron en de bedrijfsmodus.
  3. Hoe past de aanwezigheid in de wettelijke zoneklasse? Voor gas/damp/nevel 0, 1 of 2; voor stof 20, 21 of 22.
  4. Wat is de driedimensionale omvang? Niet alleen op vloerniveau, maar ook rond openingen, putten, omkastingen, kanalen en verbonden ruimten.
  5. Welke voorwaarden houden de conclusie geldig? Bijvoorbeeld beschikbaarheid van afzuiging, gesloten transfer, onderhoud, huishouding of procesbegrenzing.

De zonering is daarmee een beslis- en beheerinstrument. Een tekening zonder bronnenlijst, motivering en geldigheidsvoorwaarden is te zwak voor materieelkeuze, wijzigingsbeheer en het explosieveiligheidsdocument.

Stap 1 - Leg scope en installatiegrenzen vast

Begin met een scopeblad. Benoem de installatie, bedrijfsmodi, ruimtes, interfaces, geplande wijziging en documentversie. Neem ook ruimten mee die via openingen verbonden zijn of kunnen worden verbonden met ruimten waar een explosieve atmosfeer kan voorkomen. Artikel III.4-4 vraagt expliciet dat zulke verbindingen in de beoordeling worden meegenomen.

Leg minstens vast:

  • proces- en ruimtegrenzen;
  • normale productie, opstart, stilstand, reiniging en onderhoud voor zover relevant;
  • aanwezige en tijdelijke apparatuur;
  • toevoer, afvoer, ventilatie, afzuiging en opvang;
  • externe ondernemingen en interfaces;
  • gebruikte tekeningen, P&ID’s, datasheets en revisies;
  • de normeditie en andere technische uitgangspunten.

Maak ook duidelijk wie beslist en wie vakinhoud levert. Artikel III.4-7 legt de zone-indeling bij de werkgever en verlangt betrokkenheid van de interne dienst. Wanneer extra explosieveiligheidsdeskundigheid nodig is, wordt de afdeling risicobeheersing van de externe dienst betrokken.

Stap 2 - Verifieer stof- en procesgegevens

Een stofnaam alleen is geen beoordelingsbasis. Verzamel de gegevens die voor het werkelijke proces relevant zijn. Dat kunnen onder meer ontvlambaarheids- en explosie-eigenschappen, temperatuur, druk, concentratie, fase, deeltjesgedrag, vocht en grenscondities zijn. Welke data nodig zijn, hangt af van medium en besluitvraag.

Gebruik betrouwbare, toepasselijke bronnen en noteer herkomst, meetmethode, monsterrepresentativiteit en onzekerheid waar dat relevant is. Een veiligheidsinformatieblad is een nuttig vertrekpunt, maar bevat niet noodzakelijk alle gegevens voor een explosieveiligheids- of zonebeoordeling.

Vast te leggenWaarom het telt
Fysische vorm en samenstellingBepaalt of gas, damp, nevel, stof of een hybride mengsel speelt.
Werkelijke procesconditiesEigenschappen en vrijzetting kunnen met temperatuur, druk en bewerking veranderen.
Variatie en onzekerheidVoorkomt dat één gunstige meetwaarde als universeel wordt gebruikt.
Databron en revisieMaakt de conclusie controleerbaar en herzienbaar.

Stop wanneer cruciale data ontbreken. Markeer de lacune, kies een aantoonbaar conservatieve tijdelijke basis of laat passende gegevens bepalen. Verstop onzekerheid niet in een definitieve zonekleur.

Stap 3 - Maak een genummerd emissiebronnenregister

Loop het proces systematisch af. Denk aan vullen, lossen, ontluchten, monsternemen, afdichtingen, flenzen, openingen, filters, cyclonen, zakkenstort, breken, malen, transporteren, reinigen en onderhoud. Dit zijn aandachtspunten, geen automatische zonebesluiten.

Geef elke bron een uniek nummer en koppel die aan de tekening. Registreer:

  • apparatuur- of procesdeel;
  • medium en relevante conditie;
  • reden waarom emissie mogelijk is;
  • bedrijfsmodus waarin dat gebeurt;
  • bestaande technische beheersing;
  • route waarlangs het medium zich kan verspreiden;
  • gekoppelde ruimten of systemen;
  • open vragen en bewijsstukken.

Bij stof is de bronanalyse niet klaar na de zichtbare uitlaat. Bijlage III.4-1 verlangt dat lagen, afzettingen en hopen brandbaar stof op dezelfde wijze worden behandeld als andere mogelijke bronnen van een explosieve atmosfeer. Beoordeel dus ook waar stof kan bezinken en opnieuw opwervelen.

Stap 4 - Classificeer zonder verzonnen uurgrenzen

De Belgische Codex gebruikt drie kwalitatieve aanwezigheidsprofielen per medium:

Gas, damp of nevelBrandbaar stofKwalitatief aanwezigheidsprofiel
Zone 0Zone 20Voortdurend, gedurende lange perioden of herhaaldelijk aanwezig.
Zone 1Zone 21Bij normaal bedrijf waarschijnlijk af en toe aanwezig.
Zone 2Zone 22Bij normaal bedrijf niet waarschijnlijk en, als het toch gebeurt, van korte duur.

Onder normaal bedrijf verstaat de bijlage dat installaties binnen hun ontwerpparameters worden gebruikt. Documenteer wat dit concreet betekent voor de onderzochte installatie. Een situatie kan niet zonder motivering “abnormaal” worden genoemd om zone 1 naar zone 2 of zone 21 naar zone 22 te verschuiven.

Gebruik geen generieke tabel met uren per jaar als Belgische wettelijke definitie. Een hulpmiddel uit een bedrijfsstandaard, gids of contract kan hoogstens deel van de technische motivering zijn. Leg dan de bron, status en toepasbaarheid zichtbaar vast.

Stap 5 - Beoordeel ventilatie, afzuiging en stofhuishouding

Een ventilator op een tekening is nog geen bewezen verdunning. Beoordeel waar lucht binnenkomt en vertrekt, hoe de stroming zich rond obstakels gedraagt, welke bedrijfsstanden bestaan, hoe beschikbaarheid wordt bewaakt en wat er bij uitval gebeurt. Koppel iedere aanname aan ontwerpdata, verificatie of een expliciete actie.

Voor stof zijn afzuiging en huishouding nauw verweven met de zoneomvang. Stel daarom vragen als:

  • Waar kan stof buiten het gesloten systeem terechtkomen?
  • Waar ontstaan moeilijk bereikbare lagen?
  • Kan reinigen een stofwolk veroorzaken?
  • Wordt de effectiviteit van afzuiging bewaakt?
  • Wat gebeurt bij een volle opvang, lekkende slang of stilgevallen extractie?
  • Is de veronderstelde huishouding organisatorisch geborgd én zichtbaar uitvoerbaar?

De IEC publiceerde op 29 juni 2026 een nieuwe internationale editie, IEC 60079-10-2:2026. De openbare IEC-beschrijving behandelt de relatie tussen effectieve huishouding, stoflagen en mogelijke stofwolken. Neem de editie echter niet automatisch als Belgische normbasis over: controleer eerst de actuele NBN-status.

Stap 6 - Bepaal zoneklasse en zoneomvang afzonderlijk

Ken eerst het aanwezigheidsprofiel toe. Bepaal daarna de ruimtelijke omvang. Zo voorkom je dat één niet-onderbouwde aanname beide beslissingen tegelijk stuurt.

De omvang kan onder meer worden beïnvloed door:

  • hoeveelheid en wijze van vrijzetting;
  • eigenschappen en conditie van het medium;
  • geometrie en richting van de emissie;
  • ventilatie, verdunning of afzuiging;
  • obstakels, putten, plafonds en omkastingen;
  • deuren, kanalen en andere verbindingen;
  • stofverspreiding, lagen en opnieuw opwervelen;
  • geldige technische en organisatorische beheersmaatregelen.

Teken zones driedimensionaal. Een planzicht alleen kan verticale of ingesloten risico’s verbergen. Voeg doorsneden of detailtekeningen toe waar hoogte, putten, apparatuurinterieurs, luchtstroming of verspreidingsroutes ertoe doen.

Leg bij iedere grens vast: waarom hier, op basis van welke gegevens en onder welke voorwaarden? Dat ene zinnetje maakt het verschil tussen een kleurvlak en een herleidbare technische beslissing.

Stap 7 - Toets materieel én alle relevante ontstekingsbronnen

De zonering vormt input voor materieelkeuze, maar de categorie alleen is niet genoeg. Bijlage III.4-2 geeft als uitgangspunt:

  • zone 0 of 20: categorie 1;
  • zone 1 of 21: categorie 1 of 2;
  • zone 2 of 22: categorie 1, 2 of 3.

Daarbij moet het materieel geschikt zijn voor het betrokken gas, de damp, nevel of het stof. Bovendien staat in de Codex dat het EVD op basis van de risicobeoordeling andere eisen kan stellen. Controleer daarom ook relevante groep, temperatuurgedrag, omgeving, montage, verbindingsstukken, onderhoud, gebruik en eventuele bijzondere voorwaarden.

Beperk de toets niet tot elektrische apparatuur. Artikel III.4-4 noemt ontstekingsbronnen breed en noemt elektrostatische ontladingen expliciet. Tijdelijk werk, hete oppervlakken, mechanische effecten, statische lading en handelingen van werknemers kunnen dus even relevant zijn als een motor of sensor.

Stap 8 - Bouw één controleerbaar zoneringspakket

Lever geen losse tekening op. Een werkbaar pakket bevat minimaal wat nodig is om beslissingen te herleiden en te beheren:

OnderdeelMinimale functie
Scope- en uitgangspuntenbladBepaalt grenzen, revisie, bedrijfsmodi en normbasis.
Stoffen- en databronnenregisterToont welke gegevens gebruikt, onzeker of nog te verifiëren zijn.
EmissiebronnenregisterVerbindt proces, scenario en bronnummer.
ZonetabelMotiveert klasse en ruimtelijke omvang per bron.
Zonetekening en doorsnedenMaakt driedimensionale grenzen en interfaces zichtbaar.
Materieel- en ontstekingsbronnentoetsControleert geschiktheid en resterende afwijkingen.
Maatregelen- en actielijstLegt eigenaar, besluit, bewijs en vrijgave vast.
Koppeling met het EVDVerankert zones in risicoanalyse, organisatie en wijzigingsbeheer.

Laat bronnummer, zonetabel en tekening dezelfde identificatie gebruiken. Anders raakt de redenering los van het kleurvlak zodra een installatie wordt aangepast.

Stap 9 - Verifieer de werkelijke installatie

Bijlage III.4-2 verlangt vóór de eerste inbedrijfstelling van een arbeidsplaats waar explosieve atmosferen kunnen voorkomen een verificatie van de explosieveiligheid van de gehele installatie. Die verificatie wordt toevertrouwd aan personen die door ervaring en/of beroepsopleiding deskundig zijn op het gebied van explosieveiligheid.

Vergelijk tijdens de verificatie minimaal:

  • as-built installatie met gebruikte tekeningen;
  • werkelijke openingen, afschermingen en ventilatie;
  • materieel, markering, montage en bijzondere voorwaarden;
  • aarding, verbindingen en relevante ontstekingsbeheersing;
  • alarmen, veilige toestand en organisatorische controles;
  • toegankelijkheid en uitvoerbaarheid van huishouding en onderhoud;
  • resterende acties en vrijgavecriteria.

Een review van documenten op afstand kan nuttig zijn, maar vervangt de vereiste beoordeling van wat daadwerkelijk is gebouwd en hoe het wordt gebruikt niet.

Stap 10 - Beheer wijzigingen via het EVD

Artikel III.4-8 verlangt herziening van het explosieveiligheidsdocument bij belangrijke wijzigingen, uitbreidingen of verbouwingen van arbeidsplaatsen, arbeidsmiddelen of het arbeidsproces. Gebruik daarom een change-controlvraag vóór technische vrijgave:

Kan deze wijziging een stofeigenschap, emissiebron, aanwezigheidsprofiel, verspreiding, zonegrens, ontstekingsbron, maatregel, materieelkeuze of coördinatieafspraak beïnvloeden?

Zo ja, bepaal vóór ingebruikname welke delen van de analyse, tekening en verificatie moeten worden herzien. Er is in artikel III.4-8 geen universele jaarlijkse vervaldatum voor het EVD. Een kalendercontrole kan intern nuttig zijn, maar vervangt beoordeling van wijzigingsimpact niet.

Zeven veelgemaakte methodologische fouten

  1. Starten met de tekening. Zonder bronnenregister ontbreekt de proceslogica.
  2. Vaste uren als wet presenteren. De Codex definieert de zones kwalitatief.
  3. Een standaardstraal kopiëren. Zoneomvang is installatiegebonden.
  4. Stoflagen negeren. Lagen en hopen kunnen een nieuwe bron voor een stofwolk vormen.
  5. Ventilatie aannemen zonder beschikbaarheidsbewijs. Een ontwerpwaarde is niet automatisch een blijvende conditie.
  6. CE of Ex als eindbesluit zien. Geschiktheid vraagt meer dan één markering.
  7. Een nieuwe IEC-editie automatisch als Belgische vervanging behandelen. Controleer eerst NBN-status en contractbasis.

Normstatus die je bij dossierstart moet controleren

Op 6 augustus 2026 gaf de NBN-catalogus de volgende status:

De IEC publiceerde IEC 60079-10-2:2026 op 29 juni 2026. Dat is een belangrijk controlemoment, geen bewijs dat de Belgische NBN-editie automatisch is vervangen. Leg bij ieder nieuw of gewijzigd dossier de gecontroleerde catalogusstatus, gekozen editie en eventuele contractuele eisen vast. De auteursrechtelijk beschermde normtekst moet via de bevoegde normverstrekker worden geraadpleegd.

Dossiergrens en vervolg

Deze methodologie ordent de analyse, maar levert zonder actuele installatiegegevens geen zone-uitspraak op. De officiële bronnenledger direct onder het artikel maakt zichtbaar waarop de juridische en technische kern is gecontroleerd.

Gebruik de brede ATEX-kennisbank voor het volledige werkgeverskader. Wil je de scope van een concrete wijziging of installatievraag afbakenen, neem dan contact op met PreventX. Een intake bepaalt eerst welke gegevens en deskundigheid nodig zijn; deze publicatie vervangt geen installatiegebonden beoordeling.

Vrijgave- en bronnenmatrix

Deze matrix is een reviewlegenda, geen ingevulde voorbeeldcase. Vervang elk bewijsstuk door locatiegebonden, actuele informatie.

Controlepunten vóór vrijgave van de zone-indeling
DossierstapVerwacht veldbewijsVrijgavevraag
InputActuele veiligheids- en procesgegevensZijn bron, versie en toepassingsgebied traceerbaar?
EmissieVeldopname en bronnenregisterZijn relevante bedrijfsmodi en afwijkingen beoordeeld?
VentilatieOntwerpdata, meting of gedocumenteerde waarnemingIs elke aanname herkenbaar en verifieerbaar?
ZoneGemotiveerde tekening met begrenzingenKan een reviewer de grens terugvoeren naar de input?
MaterieelRegister van materieel en beheersmaatregelenSluit de toets aan op zone, stof en ontstekingsrisico?
EVDRevisieblad, eigenaars en wijzigingstriggersIs duidelijk wie beoordeelt, vrijgeeft en actualiseert?

Officiële bronnen en toepassingsgrens

De actuele geconsolideerde tekst, toepasselijke normen, stofdata, fabrikantinformatie en installatiesituatie blijven leidend.

  1. 01
    FOD WerkgelegenheidCodex Welzijn op het Werk · Boek III, Titel 4 (PDF)

    Belgische verplichtingen, zones, EVD, maatregelen en apparatuurcategorieën. Officiële geconsolideerde titel; vermeldt de wijziging door het KB van 12 mei 2024.

  2. 02
    FOD WerkgelegenheidFOD Werkgelegenheid · ruimtes met explosierisico

    Officiële themapagina met regelgeving en verwijzing naar de Codex-titel.

  3. 03
    EUR-LexEUR-Lex · Richtlijn 1999/92/EG

    Minimumvoorschriften voor werknemers die risico lopen door explosieve atmosferen.

  4. 04
    EUR-LexEUR-Lex · Richtlijn 2014/34/EU

    Productkader voor apparaten en beveiligingssystemen in potentieel explosieve atmosferen.

  5. 05
    NBNNBN · NBN EN IEC 60079-10-1:2021

    Catalogusrecord voor gebiedsindeling bij explosieve gasatmosferen. Door NBN als ACTIVE weergegeven bij controle op 6 augustus 2026.

  6. 06
    NBNNBN · NBN EN 60079-10-2:2015

    Catalogusrecord voor gebiedsindeling bij explosieve stofatmosferen. Door NBN als ACTIVE weergegeven bij controle op 6 augustus 2026.

  7. 07
    IECIEC · IEC 60079-10-2:2026

    Internationale editie voor stofgebiedsindeling, gepubliceerd op 29 juni 2026. Publicatie door IEC is niet automatisch gelijk aan Belgische overname door NBN; controleer het actuele NBN-record.

Verder lezen in de kennisbankATEX en explosieveiligheid: het volledige kader

Veelgestelde vragen

Hoe begin je aan een ATEX-zone-indeling?

Leg eerst scope, installatiegrenzen, bedrijfsmodi en normbasis vast. Verifieer daarna stof- en procesdata en maak per procesdeel een genummerd emissiebronnenregister. Pas daarna ken je een zoneklasse en een afzonderlijk gemotiveerde ruimtelijke omvang toe.

Zijn er vaste uurgrenzen voor ATEX-zones in België?

Nee. De Belgische Codex gebruikt kwalitatieve begrippen voor frequentie en duur. Een generieke urentabel is geen wettelijke zonedefinitie en kan alleen als transparant gemotiveerd technisch hulpmiddel worden gebruikt wanneer de bron en toepasbaarheid duidelijk zijn.

Heeft elke ATEX-zone een vaste afstand?

Nee. De zoneklasse beschrijft het aanwezigheidsprofiel; de ruimtelijke omvang volgt uit emissiebron, medium, procescondities, geometrie, verspreiding, ventilatie of afzuiging en geldige beheersmaatregelen. De Codex geeft geen universele standaardstraal.

Wat moet je bij stofzonering extra beoordelen?

Beoordeel naast stofwolken ook lagen, afzettingen en hopen als mogelijke bron. Controleer waar stof kan bezinken en opnieuw opwervelen en of afzuiging en huishouding aantoonbaar effectief en beschikbaar blijven.

Welke apparatuurcategorie hoort bij zone 1 of zone 21?

Bijlage III.4-2 noemt categorie 1 of 2 als uitgangspunt voor zone 1 en 21, mits geschikt voor het betrokken medium. Het EVD kan op basis van de risicobeoordeling andere eisen stellen; categorie alleen bewijst dus niet de volledige geschiktheid.

Welke documenten horen bij een zone-indeling?

Een controleerbaar pakket bevat scope en uitgangspunten, stoffen- en databronnenregister, emissiebronnenregister, zonetabel, tekeningen en doorsneden, materieel- en ontstekingsbronnentoets, maatregelenlijst, verificatie en koppeling met het EVD.

Wanneer moet een ATEX-zonering worden herzien?

Beoordeel de zonering bij iedere wijziging die stoffen, emissiebronnen, bedrijfsvoering, verspreiding, ventilatie, zonegrenzen, materieel of maatregelen kan beïnvloeden. Het EVD moet volgens artikel III.4-8 worden herzien bij belangrijke wijzigingen, uitbreidingen of verbouwingen.

Vervangt IEC 60079-10-2:2026 automatisch de Belgische stofnorm?

Nee. IEC publiceerde de internationale editie op 29 juni 2026, maar op 6 augustus 2026 toonde NBN NBN EN 60079-10-2:2015 nog als actief. Controleer bij dossierstart de actuele NBN-status en leg de gebruikte normeditie vast.

Wanneer vraagt uw situatie om een ATEX-beoordeling?

Inventariseer waar brandbare gassen, dampen, nevels of stof met lucht een explosieve atmosfeer kunnen vormen. Alleen een productnaam of een Ex-label op een toestel geeft nog geen oordeel over uw werkplek.

Stof en proces
Verzamel stofgegevens, veiligheidsinformatiebladen, procesbeschrijving en bedrijfscondities. Benoem ook vullen, lossen, reinigen, onderhoud en storingen.
Vrijkomen en ventilatie
Breng mogelijke vrijzettingsbronnen, stofafzettingen en ventilatie in kaart. De frequentie, duur en omstandigheden vragen een deskundige beoordeling; een eenvoudige vragenlijst berekent geen zonegrens.
Installatie en maatregelen
Leg relevante tekeningen, apparatuurgegevens, inspecties en bestaande beschermingsmaatregelen klaar. Ontbrekende gegevens, aanvullende studies en benodigde controles blijven zichtbaar in de opdracht.

De concrete beoordeling kan leiden tot een explosierisicoanalyse, zone-indeling, explosieveiligheidsdocument en maatregelen. Benodigde deskundigheid en betrokken preventieactoren worden vooraf bepaald. De website en zoneverkenner certificeren geen installatie.

Prijs voor ondersteuning op aanvraag. Werkzaamheden, oplevering en prijs spreken we vooraf af.

Van methodologie naar installatie

Laat de zone-indeling toetsen aan de echte werkplek.

PreventX helpt input structureren, het terrein onderzoeken, keuzes documenteren en het explosieveiligheidsdossier uitvoerbaar maken.